Category Archives: Uncategorized

Gefopt!

Stel. Je rijdt, dolblij om zo’n veilig en ruim fietspad, vanaf de Elyzeese Velden staduitwaarts. Yay, verkeerslichten voor fietsers! Yay, breed dubbel fietspad! Hoera, voor betonblokken tussen mij en de auto’s! Leve de fietsstad! Leve Gent!

image

desmedtbrug

Dan kom je plots hier:

Einde nieuwe fietspad net voor palinghuizen

Een aantal maanden geleden vroeg ik op twitter of er hier wat verf en een bordje mocht, zodat fietsers die staduitwaarts op het einde van het schitterende nieuwe dubbelrichtingsfietspad vanaf de Elyzeese Velden komen hier veiliger de N9 kunnen oversteken.

Het antwoord was dit:

Hallo verbodsbordje

Sindsdien voel ik me een beetje schuldig.

Dankzij dat verbodsbordje moet iedereen nu immers langs de ‘verkeerde’ kant van de rijweg blijven fietsen en de onderdoorgang onder de Guislainbrug nemen. Als je weer bovenkomt, sta je dan plots hier:

N9 einde fietspad from Klein in Gent on Vimeo.

Hier zit alle verkeer van en naar de binnenring er ook bij, en krijg je de keuze tussen spookrijden op een toch al smal stippelijnfietspad op de N9, waar auto’s makkelijk 100 per uur halen. Of zonder enige dekking twee rijstroken met daartussen een afslagstrook proberen te kruisen. Dwars over een volle witte lijn of twee, drie.

In je eendje N9 oversteken

Vaak lukt oversteken pas als er een auto voor je stopt, zomaar in het midden van de N9. Wat ze soms toch doen, automobilisten snappen ook niet wat jij daar met je fiets staat te doen en zien de hopeloosheid van de situatie. Als de auto die ondertussen de afslagstrook opschiet niét ziet waarom de auto naast hem stopt ben je dan alsnog de klos, maar kom.

Ik heb gezaagd tot ik omviel, maar totnutoe geen reactie van Wegen en Verkeer of van de stad buiten dat men ‘het zal onderzoeken’. Wegen en Verkeer meent ook dat er daar een fietsomleiding is, maar is er in de laatste maanden nog niet in geslaagd om te komen vaststellen dat ze zich vergissen.

Gisteren viel er weer een dodelijk slachtoffer op deze weg. Vandaag kondigt de krant maatregelen aan voor fietsers, tegen 2018, maar niet op deze plek.

Kind & Gezin pt 2

The sequel op het geknoei met de kindcodes bij Kind & Gezin: een maand na mijn boze mail naar Kind&Gezin, met de vraag om me alstublieft te mailen in plaats van te bellen, had ik vandaag een gemiste oproep van een onbekend nummer.

Daarna kreeg ik deze mail:

Beste mevrouw/mijnheer,

Betreft: Aanvraagnummer:
Ref: Vraag xxxxx – Contact Id: yyyyyy

Naar aanleiding van je attest inkomenstarief hebben we contact met jou opgenomen.

Je vermeldt dat je problemen ondervindt met het aanvragen van een attest inkomenstarief.

Ik zal je nogmaals contacteren op 06/04 om het attest inkomenstarief in orde te brengen wanneer de correcte documenten/informatie is ontvangen.

De gevraagde gegevens en je recentste aanslagbiljetten dien je bij de hand te hebben als we je contacteren maar je kan deze ook reeds opsturen via het ontvangen e-mail bericht zodat we deze kunnen bekijken vóór we je contacteren.

1. Je / jullie meest recente aanslagbiljet(ten). De bedragen op jouw aanvraag moeten de gezamenlijke belastbare beroepsinkomsten zijn zoals vermeld op jouw aanslagbiljet.

2. Indien je niet beschikt over een Belgisch aanslagbiljet dan heb ik de huidige loongegevens nodig.

3. Indien je kindje(s) reeds in 2013 naar de opvang ging(en) hebben we je inkomsten nodig van de maand november 2013.

4. Indien je kindje(s) pas start(en) in 2014 dan hebben we de inkomsten nodig van de startmaand in de opvang.

Ter info :
Met maandinkomsten wordt bedoeld voor beide partners: loonfiche(s), attest bij een uitkering van de RVA, mutualiteit of OCMW.

Gelieve op deze mail te antwoorden en ons zo mogelijk de ontbrekende gegevens te bezorgen of op hoger vermeld tijdstip de gegevens bij de hand te hebben.

Alvast bedankt voor je begrip en medewerking.

Met vriendelijke groeten,
Kind en Gezin-Lijn

Tel. 078 150 100 elke werkdag tussen 8 en 20 uur
email: ouderbijdrage@kindengezin.be

web: http://www.kindengezin.be

————————————————————————
Dit antwoord heeft een algemeen informatief karakter. U kan er geen rechten aan ontlenen. Kind en Gezin kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de schade die u eventueel zou lijden door het gebruik van de gegeven informatie.

Met “contacteren” bedoelen ze geloof ik opbellen.

Ik word zo gruwelijk nieuwsgierig naar wat het is dat men bij Kind&Gezin wél kan via de telefoon, en absoluut niét via mail? Buiten zonder bewijs flateren? Iemand een idee? En WTF is dat met die disclaimer? Dat de kans bestaat dat de gegevens over mijn inkomsten ook elders opduiken, en ze daar geen verantwoordelijkheid voor nemen?

Stadsvlucht=parkvlucht

Jonge gezinnen willen een tuintje, wonen in de stad wordt te duur voor jonge gezinnen, jonge gezinnen trekken weg uit de stad. U kent de riedel. Er zijn verschillende redenen voor, maar een belangrijke is dat jonge gezinnen willen dat hun kinderen plaats hebben om te spelen.
Gent heeft van kindvriendelijkheid een beleidsprioriteit gemaakt, maar totnutoe vertaalt zich dat vooral in een fietsvriendelijk mobiliteitsbeleid, en nu het plan voor een tijdelijke speeltuin. Tof, ik was even heel enthousiast, maar in de zomer zijn er natuurlijk al heel wat tijdelijke ‘speeltuinen’. En het centrum is al voor een groot stuk autovrij en jonge gezinnen vrij. Vooral een leuke gimmick dus?

Jonge gezinnen die in Gent wonen moeten ook op doordeweekse dagen op zoek naar een plek in hun buurt waar ze hun stadsgrut tussen de bedrijven door even kunnen laten rennen en klauteren. Vooral in de buurten waar het voor jonge gezinnen nog betaalbaar wonen is.

We wéten dat er parken zijn, en speeltuinen. We weten dat er geweldige speeltuigen staan, en heuvels en grasperken. Vele vierkante meters. Dat er veel tijd en geld ging in het ontwerp ervan. Maar we weten ook hoe ze er bijliggen, en hoe het is om er te gaan spelen. Ze zijn vaak niet gewoon vuil maar ronduit smerig. Bierblikken en kapotte flessen tot halfverteerd eten en gebruikt maandverband. Hondenstront galore. Loslopende honden, met muilen vol tanden op peuterneushoogte. Ook de rondslingerende drugsspuiten zijn geen mythe. En ik weet niet hoe het in uw tuin zit, maar in ons park wonen er ook wel eens mensen in de struiken.

Het ene park is natuurlijk het andere niet, maar 20 minuten moeten fietsen met kleine kinderen om even te kunnen spelen is niet wijs.

Dus terwijl u daar in uw tuin bij de schommel staat te denken aan schommelen sta ik aan net zo’n schommel te denken aan dat huis dat te koop stond in Zingem en dat pendelen en een auto kopen en elke dag in de file staan misschien toch nog niet zo heel erg is. Want stel je voor dat we onze kinderen kunnen loslaten in een eigen tuin zonder stront en vuiligheid zeg. En ondertussen een koffie drinken in de zekerheid dat ze geen ringweg op rennen. 30 seconden mijn ogen kunnen sluiten met de zon op m’n snoet. Steljevoor.

Stadsvlucht is parkvlucht. Daar verandert een tijdelijke zandbak niets aan. Als je jonge gezinnen in de stad wil houden moet je zorgen voor gedeelde buitenruimte die even kwalitatief is als een eigen tuin. Of die een meerwaarde heeft. In de zomer lukt dat nu al aardig, met DOK en Parkkaffee en de buurtfeesten en de overdaad aan heerlijke kinderdingen tijdens de Gentse Feesten. En nu dus een centrumzandbak.

Maar mijn kinderen wonen hier het hele jaar door.

Wat suggesties, van een ervaringsdeskundige tussen allemaal andere ervaringsdeskundigen, en na het testen van speeltuinen in verschillende landen:

1. Zet in grotere parken zoals de Groene Vallei in het weekend en why not op woensdagnamiddag een parkwachter. Dat kan vast via betaalbare statuten, of onder het statuut van stadswacht. Eentje maar. Een vrijwilliger desnoods. Trek hem een officieel vestje aan en zorg dat hij in het park is en blijft, en mensen aanspreekt die over de schreef gaan en zelf ook aanspreekbaar is. Start met een testperiode wanneer de zon schijnt. Why not? Het is een prioriteit in het stadsbeleid, toch? Het is bizar dat bijna elke lege museumzaal voltijds een suppoost krijgt, terwijl volle parken het zonder enig toezicht moeten stellen? Wat zegt dat over de waarde die een stad hecht aan haar kinderen, en aan haar buitenruimte? Ik ben geen fan van GAS-boetes maar als het experiment in het Kokerpark vorig jaar iéts aantoonde, is het dat controle wérkt. Op de dagen dat er een sociaal werker in het park liep die mensen aansprak als ze iets op de grond dreigden te gooien, bleef het park proper. Dat waren mensen die werkten voor de stad, of voor vzws die met wijkbeheer bezig zijn. Ik ben dat niet. En als ik met mijn kinderen naar het park ga en ik moet daar elke keer de hondenstront van mijn kinderen afschrapen of een creep aanspreken of hij alstublieft zijn pitbull wil aanlijnen of zijn rommel wil oprapen en als ik dan elke keer opnieuw afgebekt wordt dan is mijn uurtje spelen elke keer om zeep.

2. Zet er ook een kiosk die koffie heeft, of nog beter: pannenkoeken en witte wijn. Zet er misschien een paar stoeltjes en een tafeltje bij. Het zal u misschien verbazen, maar ook mensen zonder tuin willen graag zitten en iets drinken. Gezellig samenzijn met familie of vrienden terwijl de kinderen samen buitenspelen. Samen een oogje in het zeil houden, waardoor iedereen een beetje kan ontspannen. Co-working spaces zijn hip, maar als kindvriendelijkheid een prioriteit is, waarom geen co-parenting spaces? En ook: niet iedereen is fan van picnic, en spelende kinderen krijgen ook honger en dorst. Wie geen tuin heeft kan dan niet even naar de koelkast lopen, en ik heb meer nodig dan een ton met een rooster op om iets te kunnen eten.
Een kiosk zorgt meteen ook voor meer leven en meer sociale controle, en je kan er een EHBO-kistje in kwijt.

3. Speelruimte is voor kinderen en enkel voor kinderen. En hun ouders, als ze braaf zijn. “Gemengd verkeer” is in andere stedenbouwkundig toepassingen misschien discutabel, voor kleine kinderen is het gewoon not done. Laat de speelruimte niet naadloos overlopen in een fietszone, of een busbaan. Steek je peuters niet samen met je junks. Er zijn leukere verrassingen dan te merken dat het openbaar toilet net naast de zandbak (“Mama! Ik moet kaka doen! NU!”) eigenlijk een stadhuiscodewoord is voor gedoogde heroïnespuitplek. Handig, voor de drughulpverlening. Minder, met een kleuter en een nieuwsgierige peuter.

4. Zorg dat er ook ergens onderdak is. Een hele speeltuin onder een afdak zou in principe mogelijk zijn, als je het geval boven het busstation van Gent-Sint-Pieters bekijkt, maar het kan ook veel kleiner. Wij wonen in Gent vaak in kleine rijhuizen. Dit is België. Kinderen willen ook spelen als het regent. Als er al een tijdelijke speeltuin nodig is, dan is het een tijdelijke winterspeeltuin. Ook fijn, en eenvoudiger: een schuilplek. Zodat je niet bij elke bui meteen de baby moet inpakken en met chagrijnige kinderen door de regen moet beginnen fietsen.

5. Zorg dat we onze kinderen kunnen zien, en dat we kunnen zitten. Dat klinkt onnozel, maar bij de meeste Gentse speeltuinen zijn er ofwel geen bankjes, of ze staan te ver van de speeltuigen, of ze staan pontificaal naar de andere kant gedraaid.

6. Zorg voor grenzen. Als een kind zo vanuit het park of de speeltuin de straat kan oprennen dan laat ik het daar liever helemaal niet rennen. Ik ben daarin niet de enige denk ik. Het is niet strak en esthetisch, maar speeltuintjes met hekken en een poortje rond werken wel, en zie je veel in meer kindvriendelijke landen. (Heggen of vlechtwerk werken ook, maar ik hoor de groendienst nu al tot hier zuchten.)

7. Bekijk de bevoegdheden. Het is absurd dat er voor glas op de autoweg wél een meldpunt is dat snel opgevolgd wordt, maar je voor glas op een speeltuin de groendienst moet contacteren die het dan op hun volgende ronde eens zullen bekijken. Ik weet niet hoe het in andere steden zit, maar in Gent zitten parken en speeltuinen enkel en alleen bij de groendienst denk ik. Alsof mijn kinderen bomen zijn. Alsof parken enkel dienen om arm in arm keuvelend doorheen te wandelen.

8. Honden. Fuck honden. Zeker de loslopende, wildkakkende soort. Awoert.

9. Parken en speeltuinen worden zelden besproken in Buurt Bestuurt vergaderingen en andere stadsparticipatie-initiatieven, omdat daar zelden veel mensen met kleine kinderen zitten. Dat betekent niet dat niet veel mensen ze belangrijk vinden. Wij zitten wellicht thuis doodmoe te zijn bij slapende kinderen, en op pakweg immoweb rond te surfen. Mail ons, benader ons via de buurtschool, doe iets met Facebook, want we zijn hier (voorlopig) wel degelijk, en we stemmen, en we zouden écht graag blijven.

Serieus, Kind&Gezin?

Ergens eind november kregen we op de crèche van de jongste zoon een bijeengeniet document van 5 pagina’s in de hand gedrukt. Stukken waren doorstreept en met de hand bijgeschreven. Een heel verhaal over registreren voor inkomensberekening. In het Nederlands, warrig, en veel te vaak gekopieerd. Er wordt in verwezen naar drie verschillende websites, vijf stappen, vier documenten.

Om te registreren heb je een e-id, een kaartlezer, en een pincode nodig. (En een computer en internetverbindingen en vloeiend geschreven Nederlands en vergevorderde kennis van ons ambtelijk systeem.) En best ook veel geduld en Twitter want daar belooft Kind en Gezin je op de hoogte te houden over wanneer het systeem werkt en wanneer het weer platligt.

Ik heb geluk. Ik heb bijna alles. Ik ontbreek alleen een pincode en een kaartlezer. Ik heb die dingen nog nooit eerder nodig gehad namelijk.

Ik google. Ik blijk eenvoudig online een pincode te kunnen aanvragen. Die wordt dan naar mijn gemeentehuis verzonden, en dat kan enkele weken duren. Ik heb geen idee waarom die niet maar mijn huis verzonden wordt, of desnoods naar mijn postkantoor. Of, laat ons helemaal gek doen, mijn mailbox. Maar ik wacht.

Ik wacht 3 weken en ontvang dan een brief dat ik mijn nieuwe identiteitskaart mag gaan ophalen én dat ik een nieuwe identiteitskaart mag gaan aanvragen. 22 euro, foto’s, the works. Ehm. OK. Maar ik heb geluk, ik spreek Nederlands en ik heb internet op mijn telefoon en universitaire diploma’s en ik heb geen reden om bang te zijn van diensten die ‘burgerzaken’ heten dus ik google het telefoonnummer van de betreffende dienst en ik leg het uit en ik laat me doorverbinden en daar leggen ze me uit dat die een brief eigenlijk betekent dat ik wel pincodes kan komen ophalen maar dat mijn identiteitskaart ook bijna verlopen is en ik daar dan weer nieuwe puk- en pincodes bij krijg.

Zo’n nieuwe identiteitskaart duurt sowieso weer enkele weken, en ik moet registreren voor 31 januari. Ondertussen heb ik gelukkig de vijf pagina’s papieren documentatie en de site van Kind&Gezin en de site van de Federale Overheid grondig bestudeerd, en er blijkt een alternatief: aanmelden met het federaal token.

Op de redelijk retro website (het ding is eigenlijk in alle opzichten gruwelijk) kan je als ‘doelgroep burgers’ aanmelden voor een ’Mijn egov-profiel’ via een ‘triplet’. Het gaat er over ‘huidige roltoekenningen’ en ‘aanmeldmogelijkheden voor egov-applicaties’ maar ik heb chance, want ik snap dat allemaal. Ik vul braaf rijksregisternummer, identiteitskaartnummer en siskaartnummer in want ik héb dat gewoon allemaal en ik versta de ambtelijke taal en krijg keer op keer een foutmelding.

Maar opnieuw, ik ben godzijdank een mondige Vlaming met het soort job waarbij je al eens een google en een telefoontje kan doen tijdens de werkuren dus ik klik en klik verder tot ik een telefoonnummer vind. “Ha ja mevrouw maar dat federaal token, dat bestaat niet meer. Dat triplet, we hadden daar teveel gedoe mee. En nee, wij zijn van de kruispuntbank. Ons telefoonnummer staat daar op die site, maar dat is onze verantwoordelijkheid niet hé. Nee het is mijn job niet om te weten van wie wel nee. Nee.”

Maar gelukkig zit ik op twitter! En heb ik een groot bakkes! Dus ik vraag aan @belgiumbe hoe het zit met dat token en drie dagen later kunnen ze me bevestigen dat ze op de site van Knack gelezen hebben dat je nu inderdaad een eid en pincode en kaartlezer nodig hebt om een federaal token aan te vragen. Het federaal token dat hun eigen website en die van Kind & Gezin promoot als alternatief voor wie geen eid of pincode of kaartlezer heeft.

Juist.

Dan maar naar de Kind&Gezin lijn bellen, want een emailadres geven ze niet en ik MOET ze contacteren voor 31 januari of ik moet de volle pot betalen. Daar waarschuwt het eentalig Nederlandstalig bandje “door de extra-media-aandacht krijgen we extra veel oproepen”. Stoute media. “Heb je een ‘e-mailadres en rijksregisternummer, druk 2” . ik druk 2. “Je kan je berekening zelf doen via onze website. Wil je dit antwoord opnieuw beluisteren, druk 1.”

Juist. Dank u, bandje.

In onze crèche spreekt het merendeel van de ouders geen Nederlands. Elk jaar proberen de verzorgsters schoenen te vinden voor kindjes die in december op sandalen komen. En passant zetten ze brede wijkprojecten op, doen ze voorleesprojecten, gezondheidspromotie voor ouders en kinderen, kledinginzamelacties, pamperinzamelacties, leren ze Bulgaars en Turks en Ghanees. Bellen ze verwoed rond voor tolken en sociaal assistenten en papieren en attesten. Elke maand komen er zo nieuwe ouders toe. Vroeger moesten die één papier afgeven of laten afgeven op de crèche zelf en kwam alles in orde. Nu moeten die online geregistreerd worden volgens bovenstaande procedure. Ouders die maar een beetje Nederlands kunnen, maar wel heel hard hun best doen. Die nog niet alle papieren hebben, die vaak wantrouwen over ambtenaren en registraties meenamen van elders.

Probeer mijn saga eens over te doen als iemand die maar een heel klein beetje Nederlands kan, en geen internet heeft? De crèche-verantwoordelijke loopt al maanden achter iedereen aan en zit nu non-stop aan de lijn met de tolkentelefoon. Om toch maar te proberen om ‘haar’ ouders van de onterechte maximumfactuur te behoeden. Zij probeert nu voor tientallen ouders te regelen wat ik in mijn eentje niet rond lijk te krijgen, in talen die ze niet spreekt, tijd die ze niet heeft, met beleidsmensen die in een ivoren toren zitten en haar niet willen vertrouwen en niet willen begrijpen. En zonder dat ze ook maar iets van extra hulp krijgt.

Terwijl dat helemaal niet nodig blijkt. En niet alleen omdat een stadscrèche geen reden heeft om te foefelen met ouderbijdragen.

Ik heb uiteindelijk op andere nummertjes geduwd en de lijn op luidspreker gezet tot ik iemand aan de lijn kreeg bij Kind&Gezin. Ze gaan me over een paar weken terugbellen. Vanop een anoniem nummer. Ze konden me nog niet zeggen wat ik ze dan precies nog moest vertellen, maar ik moest mijn nettobelastbaar inkomen de volgende weken ten allen tijde klaarhouden. En alles was in orde voorlopig omdat ik gebeld had. Ik kon geen bewijs krijgen van het feit dat alles in orde was omdat ik gebeld had. Niemand kon me mailen. Maar iemand zou langs de telefoon kunnen doen waar ik en al die duizenden andere ouders zogezegd een eid en pincode en kaartlezer en computer met internet en werkend registratiesysteem en twitter voor nodig hebben.

En ondertussen ploetert onze crècheverantwoordelijke verder. Ondanks het feit Kind&Gezin en de Vlaamse Overheid haar plots minder betrouwbaar blijken te vinden dan een anonieme beller op een random moment.

Twee minuten

Twee minuten. Dik twee minuten moest ik Gé keihard laten wenen omdat ik een moeilijk te stekken buitenlandse doctor professor telefonisch aan het interviewen was. Moest ik een stressmetertje om gehad hebben, dat ding was ontploft. Hij was toen 3 maanden en ik had hem eigenlijk nog nooit echt laten wenen. Omdat dat ook nog nooit nodig was. Gé was het hele voorval snel vergeten maar ik was er de hele dag niet goed van.

El kan al van z’n derde “zélf!” fietsen, en hij weet perfect waar hij moet stoppen en wachten. Van school naar huis is er een kruispunt waar hij op me moet wachten om over te steken, en soms gaat hij daar dan nét om de hoek staan. Zodat ik hem niet meer kan zien, terwijl ik achter de kinderwagen aan naar hem toe draaf. De twee minuten die ik nodig heb om die o zo lange straat uit te komen en hem om het hoekje te zien staan.

Oefeningen in uitgerekt ouderschap zijn het: dan de hoek omkomen en doen alsof je helemaal niet gehaast bent. Eén en al vertrouwen uitstralen in dat kind, daar, volle minuten op z’n eentje.

Maar ik zeg u: al die minuten samen gaan mijn leven een stuk korter maken.

What’s it gonna be, Gent?

Wat ik niet snap, Gent. En waar die nieuwe gemeenteraad met dat geweldig nieuw bestuursplan mij weer allemaal verse hoop voor gegeven heeft:

Wij laten ons hier thuis makkelijk indelen in de groep tweeverdienende bakfietsouders. We kochten zoals zoveel jonge mensen een huis in wat de immosites zo mooi omschrijven als een ‘opkomende buurt’, oftewel de 19e eeuwse gordel, ofte: tha hood. Rabot/Brugse Poort. Wij kregen, ook van de stad, extra subsidies om een eeuwenoud arbeidershuisje hier te renoveren. Ondertussen zijn deze wijken steeds meer een bouwwerf: er is plaats te kort in Gent en er moeten meer woningen voor gezinnen komen en transitie enzo. Hallo projectontwikkelaars en appartementsblokken. Ik begrijp dat. In een milde bui begrijp ik zelfs dat dat in deze wijken moet, hoewel we hier al met veelteveel zijn op veelteweinig plaats met veelteweinig groen en veelteweinig scholen en veelteveel sociale miserie. De grond is hier immers het goedkoopst en de bewoners het minst mondig en je had hier toevallig net heelder blokken laten slopen om voor zuurstof en bruggen te zorgen. Geen dure advocaten hier om bouwaanvragen te blijven betwisten. Alle begrip.

Maar wat ik dus niet snap: je haalt ons naar hier met renovatiepremies en nieuwbouwwoningen. We krijgen voorrang in de beste crèches en scholen uit de buurt, omdat onze kinderen ervoor moeten zorgen dat er een ‘gezonde mix’ komt. We mogen geveltuintjes planten en bellen naar het ene nummer voor glas op de rijweg en mailen naar die andere dienst voor spuiten op de speeltuin en naar nog een ander formulier voor putten in het fietspad en we blijven uiteraard trouw sluikstort melden bij ivago. Je moedigt aan dat hier as we speak honderden van mijn soortgenoten naartoe gehaald worden: werkende mensen, modale tweeverdieners, met kleine kinderen. Wij moeten hier voor ‘opwaardering’ komen zorgen.

En dan houdt het op. Vooral in ‘t Rabot.

Dan woon je hier, met je gerenoveerd huis en je bakfiets en je geveltuintje en je kind op de methodeschool. Dan krijg je elke maand van een enthousiaste vrijwilliger ‘uit in je buurt’ in de bus, waar in staat wanneer er gratis koffie is, en soepbedeling, waar de gratis computer staat en wanneer het inloophuis open is en wat het thema is van de crea-namiddag. Hoe geweldig tof torekes zijn als beloning voor je inzet voor de buurt, als je ze kan gaan inwisselen op een donderdagnamiddag. De lijst organisatoren leest als de sociale kaart. De ‘waar naartoe’ die op evenementen uitgedeeld wordt, is de sociale kaart. Het wijkoverleg bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties die focussen op belangrijke probleemgroepen of problemen: kansarme jongeren, nieuwe Gentenaars, armen, mensen zonder papieren, anderstalige moeders. Om overlast in kaart te brengen wordt een online enquête opgemaakt waarvan niemand veronderstelt dat ze ooit ingevuld zal worden en die niet echt klopt en eigenlijk niets bevraagt en die ook niet echt verspreid wordt. Als voorbereiding op iets in september, waarbij ‘de bewoners’ zélf maar moeten gaan uitzoeken waar de politie moet ingezet worden.

Dan mag je met je kinderen in parken gaan spelen die tegelijkertijd fungeren als heroïnegedoogzone, of waar je er zelf maar voor moet zorgen dat de loslopende honden bij je kind wegblijven en de rotzooi uit de zandbak verdwijnt en het crapuul je met rust laat en je de mensen die in de struiken wonen niet stoort. Waar alles ineens wél vanzelf moet goedkomen door ‘sociale controle’, en waar voldoende witte Gentenaars in de ‘sociale mix’ dé oplossing zou zijn als mijn marginale buren en ik elkaar maar beter leren kennen op het straatfeest. Waar ik zelf afval moet gaan ruimen omdat dat een ikweetssniehoetoffe manier is om andere buurtbewoners te leren kennen. De lijst klussen waarvoor mijn vrijwillige medewerking gevraagd wordt is quasi eindeloos.

Word je als werkende mens op school uitgenodigd voor de ‘interculturele moedergroep’ op woensdagvoormiddag, bij de sociaal werker in het park voor een babbel op weekvoormiddagen, en moet je anders maar even doordeweeks in het CAW langslopen. Word je verwacht te ‘participeren’ aan de wijk door in je vrije tijd rommelmarkten en BBQs te organiseren.

Wel, Gent, ik mag dan een vrouwmens zijn met een groot bakkes, Mega Mindy I am not. Met alle inspanningen die jullie van ‘de bewoners’ vragen wordt dat kleine oude arbeidershuis alsnog duur betaald. De problemen in de buurten hier zijn groot, en er is nog veel miserie. Uiteraard moet vooral daar aan gewerkt worden. Uiteraard help je wie hulp nodig heeft, en wij hebben geen hulp nodig. Wij hebben het mooi voor elkaar. Uiteraard. En ik hoor de reacties nu al: da krijgt een renovatiepremie, da kan een huis kopen, da krijgt een plek in een goeie crèche, en da durft nog klagen? Awel: ja. Het is niet genoeg om ons naar hier te halen om de buurt op te waarderen. En je gaat toch ook moeten proberen om ons hier te houden. Zelf. Met een iets meer holistische visie op wijkwerking, iets met ietsje meer toekomst in het vizier. Met meer dan brandblussen en probleemgerichte werking en de ene oproep na de andere voor vrijwilligerswerk. Met meer en misschien ook ander volk, zodat de vzws en de sociale werkers en straathoekwerkers kunnen blijven doen waar ze goed in zijn en niet naar mijn soort gezeur moeten luisteren. Meer als stad zélf de handschoen opnemen in plaats van het zoveel mogelijk aan ‘de bewoners’ over te laten.

Misschien met zoiets stoms als een parkwachter, in warme weekends op z’n minst. Met af en toe een agent die te voet doorheen een park loopt, in plaats van dat snelle voorbijrijden. Met meer schoonmaakploegen hier dan in andere wijken misschien. Vuilbakken bij de vaart in plaats van enkel de vaart zou ook al een mooi begin zijn. Meer verkeersboetes in de Bevrijdingslaan en de Wondelgemstraat. Iemand die op schooluren kinderen die rotstraten helpt oversteken. Meer communicatie online. Ik zeg maar wat. Ik wil gerust helpen meedenken en meedoen (maar buiten de kantooruren, als’t niet geeft). Maar de hele point van tweeverdiener met jonge kinderen zijn is dat ik te weinig tijd heb, te weinig energie of zelfs te weinig interesse voor dit model van samenlevingsopbouw en wijkparticipatie. Sorry. Zie deze blog maar als mijn bewonersinitiatief.

Gewoon, iets, Gent, al is het een kleinigheid, om te laten merken dat je’t nog fijn vindt dat wij hier ook wonen? ‘De bewoners’ bestaat niet, en nergens zijn er binnen die groep zoveel verschillen. Doé daar iets mee, alsjeblieft. Er staat hier zometeen een shitload aan gezinswoningen te wachten op kopers, en die komen niét voor de gratis koffie.

Dragen, knopen, scoren


Nog zo’n moederding waar ik op het hele internet alleen maar halleluia over lees: draagdoeken.

Ik heb ze. Ik gebruik ze. Ik heb baby El min of meer overleefd dankzij. Ik kan al dit (meestal), en dit, en overweeg te gaan oefenen voor deze. Maar er zijn een aantal dingen waarover je op your average politiek verantwoorde moekeswebsite niets leest.

– Zo’n doek is meestal tussen de 4 en de 6 meter lang. ZES meter mensen. Dat is in mijn telsysteem meer dan drie Nederlanders. Stel, je wilt je kleine er onderweg uithalen. Pamper, eten, you name it. Doek losknopen dus. En terug vastknopen. Laat ons er even van uitgaan dat dat lukt zonder dat jij en je kind gruwelijk in de knoop raken, jullie beide hysterisch worden en er een mán aan te pas komt om jullie te bevrijden. En public. God forbid. Je moet dan al een Indische godin zijn met pathologisch veel en lange armen om niet óf die reusachtige dubbelzijdige sleep op de grond te laten belanden, óf je spartelende kind. Die grond is zand, of stof, of modder, of stadsstoep, of in het beste geval de moeder-kind WC van de Ikea. Vervolgens knoop je alles mooi terug vast met één hand terwijl je je kind met een andere hand vasthoudt. Of pakweg op de stoep legt. All set. En dan gaat mijnheer baby die verder alleen maar vers gesteriliseerde spenen krijgt op zijn stuk doek-met-grond zitten sabbelen. Mjum.

– Kots. Het spijt me, maar echt: kots. Babies durven wel eens, wat men op said moekeswebsites met zo’n mooi eufemisme noemt, ‘melk teruggeven’. En vergeet maar dat dat alleen net na z’n voeding is. Zo’n gul gevende baby zit meestal rechtop in de draagdoek of -zak met z’n gezicht naar je toe. Handig dat daar bij moeders een afvoergeul zit zeg! Geloof me: als je een tijdje hebt moeten rondlopen met cleavage met de geur van alsmaar grauwere karnemelk dan neem je de volgende keer toch liever de kinderwagen mee.

– Een draagdoek komt met boekjes vol knoopaanwijzingen, massa’s youtubefilmpjes met demonstraties, workshops en heuse draagdoekconsulenten. Omdat er veel manieren zijn om hem goed te knopen, en dus nog veel meer manieren om het verkeerd te doen. Het blijft toch een beetje een circustrucje. En we zijn zo streng voor elkaar. En voor onszelf. Elke vrouw die wel eens een draagdoek geknoopt heeft lijkt dan te loeren naar iedereen die met een kind in een draagdoek rondloopt en te oordelen of die het wel goed gedaan heeft. Knietjes hoger dan de poep! Niet te los! Niet te strak! Niet te laag! Mooi uitspreiden! Is die sling wel goed gethread? Zitten de rails niet gedraaid? Hoofdje ondersteunen! En dat kind zit toch wel goed in kikkerhouding zeker?! Terwijl: probeer maar eens om een kinderwagen verkeerd te duwen. ‘Nuff said.

– De ene draagdoek is de andere draagdoek niet. Er is een zekere orde van stoerheid. Een overtreffende trap van knoopmoeilijkheid en moederlijk culot. Draagdoeken zijn de manier bij uitstek om je moederlijke excellence te bewijzen. Het opbod aan knoopkunstjes op Youtube is onwaarschijnlijk. De BabyBjörn draagzak is de nekmat van de draagdoekwereld. So not done darling. Beginners oefenen een kangoeroehouding met een tricot slen. Praktischer of modieuzer ingestelde ouders halen een Beco of een Ergo draagzak in huis. Of een Mei Tai. Een peuter op de heup in een ringsling scoort al aardig. Maar halleluia en maximum hippiemoederpunten voor wie zijn kind in een geweven knoopdoek in een back-wrap cross carry met tibetan afwerking krijgt zeg. En dan zo gaan fietsen. Of met een tweeling. Hell yeah!

– Ik hoopte even dat baby dragen goedkoper was dan baby rijden.Voor de prijs van een kinderwagen koop je immers al snel een oude doch gekeurde VW Polo. Maar. Ten eerste zijn die draagdoeken best duur (al valt het per meter gezien eigenlijk nog wel mee). Gezien de stepping stone theorie waarin je begint bij een draagzak of tricot slen en eindigt bij een kast vol ringslings en geweven collectibles, blijft het vaak niet bij één aankoop. Bovendien wil je er natuurlijk nog graag babybeenwarmers, een draagjas en een bijpassend mutsje bij. En als je zoals ik al een zwak hebt voor stoffen dan ben je helemaal gezien. Blijkt er naast de normale modewereld een heel parallel draagdoekuniversum te bestaan met limited editions, zijde-mélanges en exclusieve patronen! Dingen die je alleen maar kan bemachtigen via de Duitse ebay of een gruwelijk lelijke webshop uit Australië. Net nu ik niet meer ver op reis kan stoffen kopen of kan gaan kleren shoppen in mijn oude maat zeg. Mijn excuses, portefeuille.

– Niet dat je echt kan gaan shoppen met je baby aan je lijf gebonden. Probeer maar eens kleren te passen zo. Of op restaurant gaan, zonder dat babyhoofdje onder de soep te druppen of de bult op je buik mee in je bord te leggen. Dus misschien valt het alles samen nog wel mee, budgettair.

– Met het risico al te prozaïsch te worden, maar hét grote raadsel voor mij: mensen die hun kind de godganse tijd dragen, hoe gaan die naar de WC…? Met z’n tweeën?

En toch gebruik ik naast de kinderwagen ook doek en sling en zak, en graag. Omdat die toch vaak handig zijn in de stad, of thuis, of op visite, en veel gezelliger dan de kinderwagen. Omdat Gé het zo fijn vindt. Omdat ik me liever niet te vaak erger aan stoepparkeerders en dergelijke. Omdat ik net nog een hele mooie limited edition Didymos zag die ik gewoon moét hebben.

En ook omdat ik toch wel een béétje uitdaging blijf nodig hebben, zo met ouderschapsverlof zijnde.
Knoopwedstrijdje, iemand?

Twee appelflappen

Ik las hier een triljoen (ongeveer) verhalen over guilty pleasures, en kon maar niet kiezen welke mijn ultieme guilty pleasure was. Tot nu net.

Het zijn twee appelflappen. Deze:

20120330-095813.jpg

Twee appelflappen van de Turkse bakker met de blinkend schone witte vloer. En koffie.

Dat gaat zo: als zoals vannacht mijn zonen al hun organisatietalent en telepathie in de strijd hebben gegooid om in shiften wakker te zijn zodat ik dicht bij zero uren slaap kom, dan doet dat opstaan ‘s ochtends pijn. En als het dan toch lukt om met z’n allen richting school te dweilen, min of meer aangekleed en min of meer op tijd, en ik sta terug buiten met een ondertussen slapende baby, dan is het tijd voor mijn ontbijt. Ik moet nog een hoop zwangerschapskilo’s kwijt. En ik wil heel heel graag terug in al mijn oude kleren. Maar ik moet nog niet gaan werken. En op weg naar huis kom ik die bakker tegen. Het zijn niet eens ‘echte’ appelflappen. Het is misschien niet eens een ‘echte’ warme bakker.

Maar de troost in die 2 koeken vol appelzoetheid. De vrolijkheid. De goeiemorgen. De boter en de suiker. Met een muziekje en koffie en de krant. Tegen dat de baby weer wakker wordt ben ik het ook.

Mjam.

dood & de kleine

“Mama, gaan we spelen van bus en dode kindjes?”

Ik lees ze aandachtig, stukken in de krant over hoe rouw en duiding ook belangrijk zijn voor kinderen. Ik geloof ze. Hier proberen we ook over alles met de kleine te praten, soms alsof het een grote is. En ik vind het geweldig dat ze dat bij El op school net zo doen. Schoolmuren hoeven de wereld niet buiten te houden. Au contraire.

Maar hoe gruwelijk ongepast het ook mag zijn om zoiets op te schrijven in de schaduw van de hel die andere ouders nu doormaken, hij is er wel: moederpijn als ik zie hoe mijn 3-jarige ukje de laatste dagen  met dood en met Nooit Meer en Altijd Missen worstelt. Ook al zat hij aanvankelijk met heel andere en veel lichtvoeterige dingen in z’n kop. Wat het verschil is tussen een ridder en een prins, over hoeveel keer slapen het zijn verjaardag is, en wanneer we in het park gaan fietsen. Wist hij verder van niets, niets concreet genoeg om akelig over te dromen. Tot wij.

Hoe komt het dat er geen vanaf-leeftijd staat op nationale rouw en op vertellen over dode kinderen, maar wel op dozen lego, op toneelvoorstellingen, op kleine plastic autootjes? Ik twijfel of zo’n klein kindje wel moet ingeënt worden met verlies. Nog zo klein. Hij zal the real thing snel genoeg tegenkomen. En er toch geen antistoffen tegen hebben.

Woensdagmiddag ziet hij me het nieuws over het busongeval in Sierre checken en vraagt hij “mama, waarom ben je verdrietig?”. Want zoals gewoonlijk: nog voor ik zelf doorheb dat ik m’n  mondhoeken naar beneden trek en m’n gezicht in een frons knoop, staat dat bezorgde jongetje bij me. Ik had het hem zo goed als ik kon moeten uitleggen wellicht, en vertellen dat ik zo verdrietig ben omdat zoiets normaal gezien niet gebeurt. Bijna nooit. Dat mensen héél, héél oud moeten worden, voor ze sterven. Maar ik zeg dat er iets ergs is in het nieuws, klap de computer dicht en begin over puzzelen.

Donderdag. El z’n juf is geniaal. Heel Vlaanderen zou verplicht zijn eerste kleuterklasje bij haar moeten doen. Echt. We zouden nog altijd allemaal vriendjes zijn. En ze kent haar kleintjes. Vermoedelijk zoeken ze samen op de computer op wat er daar nu precies gebeurd is in Zwitserland, en wordt het die dag een heel ander soort kringgesprek.

Vrijdag. Iedereen op school samen in de grote zaal voor één minuut stilte. Ik zit thuis in egoïstische moedermodus te hopen dat er geen grotere kindjes staan te wenen. Dat mijn kleine spons niet te veel verdriet mee naar huis zou nemen. Dat hij daarna direct terug ridder en prinses zal spelen.

“Papa, dat gaat wel jammer zijn hé, als jij dood bent?”

Het is nu maandag. Hij begint nog altijd op de gekste momenten over doodgaan, en hoe jammer en verdrietig dat niet is. Hij probeert te meten net hoe verdrietig wij zouden zijn, als hij, of wij, als hij. Hij wil weten of hij dan ook al papa is.

En Lief en ik wij blijven schrikken, en proberen om dat dan niet te tonen, en proberen hardnekkig om ter allerjuistst te antwoorden.

En ik blijf me afvragen of het wel nodig was, of iemand er wat aan heeft, of dat kind niet beter een beetje meer werd afgeschermd van die dood en dat verdriet. Ook al konden ze dat niet op de verpakking zetten.

 

#wijvenweek: de droom die was

Ons volgende huis wordt er eentje uit zilt mangrovehout, omringd door junglegroen en maar een kort zandpaadje verwijderd van het strand. De dichtsbijzijnde buur zit een kwartier verderop in de bush.
We leven van mango’s en papaya’s en gebakken vis, en ijsjes met hibiscussmaak.  De jongens bronzen en blonderen door in de zee te spelen. ‘S ochtends geef ik ze les, in de schaduw van de mangoboom, uit boeken die ik mooi vind. Soms komen de apen storen. Na de sièsta wandelen we naar het dorpje, voor een cola en  een praatje en een partijtje dammen in het Diola. Even langs de kleermaker met nieuwe stofjes. Lief is na een uitgebreid ontbijt op onze porch gaan werken. Iets met nieuwe boomsoorten of het meten van water. Ik werk met de marktvrouwen aan een theaterstuk. Of een kinderboek. Op ons tempo. We krijgen daar een shitload aan subsidies voor en ondertussen bespreken we stiekem andere plannen. Die geld in het laatje gaan brengen, of hun kinderen gezond gaan houden en hun mannen ook aan het werk.
‘S avonds laten we een grote schotel rijst met vis brengen. De jongens voetballen op het strand. We drinken witte wijn in de tuin terwijl de apen in de mangoboom plaats ruimen voor de vleermuizen. Nergens zijn er zoveel sterren. Niemand komt roepen en schieten.
Ik heb Lief leren kennen in dat huis. Ooit gaan we terug. En  tot dan is ons rijhuis in Gent ook wel ok. I guess.